Certain death straight ahead
Tussen mijn tenen stroomt de Straat van Bali en ik regen. Een naaktslak in een bakje zout. Tegen de zwarte stroop omhoog terwijl een laatste gedachteflarde zich afvraagt of de zwaartekracht dit wel toe kan staan. En dan leegte. Certain death straight ahead. Waarom?
Gedurende de laatste uren probeer ik me al naar het meer van Bratan te duwen. Het ritje begon wel lekker, fijn hellinkje, prachtige uitzichten over een veelvoud aan rijstterrassen. Maar dat is nu allemaal voorbij. Wat overblijft is pijn, veel pijn. Iedere paar honderd meter afstappen om te rusten, maar toch te trots om terug te gaan, over erger, te lopen. Dit is per slot van rekening geen wandelvakantie.
Bijna twaalf jaar geleden beklom ik deze berg ook al, zij het vanuit een andere richting. Zo zwaar dat de hele familie moest lopen, behalve ik dan, ik reed verder, vertelde mijn moeder naderhand altijd trots. Dat was natuurlijk niet waar; ook ik duwde regelmatig mijn ros een stukje vooruit, maar dat gaf ik natuurlijk niet toe. Nu dus revanche. Op naar boven! En waar blijft dat vervloekte meer trouwens?
Mijn fiets heeft er echter ook geen trek meer in, en besluit de ketting aan de binnenkant over de tandwielen te laten schieten. Meteen klem en geblokkeerd, tussen spaak en achteras. Los krijgen lukt niet, en vloekend en trillend duizelig van inspanning gooi ik mijn bagage in de berm.
Een groepje Indonesische jongens langs de kant van de weg ziet het geheel gebeuren. Cool, zijn fiets is kapot, en lachend komen ze met z'n allen om me heen staan. Ik kan ze wel afschieten, maar ik doe het niet. Een is behulpzamer dan de rest en besluit een koevoet te pakken, waarmee hij mijn ketting los wil wrikken. Daar komt niks van in.
Met veel moeite weet ik mijn achterwiel los te krijgen en de cassette een fractie los te schroeven, en floep, daar ligt mijn ketting, vrij uit zijn beklemde positie. De schakels lijken nog allemaal heel, en voorzichtig rijd ik verder.
Eindelijk, eindelijk komt het meer te voorschijn. Niet langs de weg zoals ik hoopte, zodat ik mijn oververhitte en door en door bezweette lichaam er in kon koelen, maar een dikke tweehonderd meter lager. Weer een bergrug dus, met een uitzicht dat wordt versperd door wolken.
Dan, een deja vu. Ik sla eindelijk af de hoofdweg op, en hier ben ik als eens geweest! Toen met paps en mams naar boven toe, ik wachtte hier, terwijl een groep oude mannetjes met koffie voor een witte muur me verbaasd aankeken. Een glimlach verschijnt op mijn gezicht.
Het begint weer te regenen en snel duik ik een restaurantje in. Wanneer het eindelijk droog is, schemert het al en met de invallende duisternis zet ik mijn weg voort. Het hotel van destijds staat er nog. Aan het meer, maar in een iets wat vervallener staat als destijds. Ik mag blijven slapen. Op dezelfde plek waar ik ooit eens mijn vijftiende verjaardag vierde.