Berouw, of, Leven in een asbak
De afgelopen dagen ploeteren hebben me aan het denken gezet, ik weet niet meer wat ik precies wil. Fietsen is en blijft natuurlijk het geldende credo, maar voor wat? Nog twee dagen afzien, houd ik mezelf voor, dan een boot oversteek, en langs de kustweg naar Samarinda die daarop volgt zal het vast een stuk fietsbaarder zijn. Maar wil ik dat eigenlijk wel?
Na een mager ontbijt (er wordt nog volop gekookt, en op wat nasi putih en een bak soto ayam is er gewoon nog niks) wordt het pikzwart voor mijn ogen en barst er een noodweer los. Nog een kop thee dan maar. En dan komt de realisatie. Dit wil ik helemaal niet. Ik heb nog maar een paar weken over, er zijn verderop dingen die ik wil zien, en ik loop me hier helemaal te slopen o een paar stomme hellinkjes in de jungle terwijl ik nauwelijks vooruit kom. Bekijk het maar. Ik wil terug, en doe dan meteen maar ook een bus naar Samarinda erbij. Het hoeft van mij niet meer.
Het kost me nog wat moeite me volledig aan deze nieuwe realisatie toe te geven, en de eerste paar auto's die voorbij komen laat ik dan ook schieten. Dan stopt er een jeep voor ontbijt, en het ijs is gebroken. Zij gaan elders, maar wanneer de eigenaresse (die toch al behoorlijk twijfelde aan mijn fietsplannen) me voor de tweede keer naar de weg ziet lopen, roept ze me. De baas en haar zoon vertrekken over een uurtje naar Berau, en als ik toch die kant op wil kan ik even goed meerijden.
Even later staat mijn fiets dus in de laadbak van een zandauto, en gaat het in vlot tempo over de wegen waarlangs ik gister zo hard liep te ploeteren. En opnieuw realiseer ik me hoe gestoord het was hier te gaan fietsen.
Met flink gas stuiteren we over een veelvoud aan hobbels heen, hetgeen resulteert in een behoorlijk ontsierende hoeveelheid lakschade aan mijn frame. Het zij zo.
De bus staat op punt van vertrek wanneer we bij het station arriveren, en ik kan nog wel mee. Bagage onder de banken en natuurlijk nog even een toneelstukje omtrent het meenemen van mijn fiets. Ik laat me er echter niet door van mij stuk brengen, ze zoeken het maar uit.
De rit gaat dwars door de jungle en wederom steil omhoog. Blij dat ik hier iet fiets. Maar toch, zoals altijd, het gevoel dat het misschien wel gekund had, en een idee van heimwee bij het zien van leuke dorpjes omgeven door eindeloze bossen, afgronden en half weggespoelde bruggetjes. Buiten, dat is avontuur, terwijl hier binnen enkel de wetten van veiligheid, stof, pijnlijke knieën en sigarettenrook gelden.
Want gerookt wordt er. De hele bus gaat rond, de ene peuk na de andere opgestoken, en de hete assen op de bagage gedropt, tussen grote zakken rijst en potten verfverdunner. Iedereen doet mee, dus mijn longen ook, en rook, as en stof van buiten omgeven alles en iedereen binnen no time. Zo moet het zijn als je in een asbak leeft. Tijdens het rijden wordt er via de open ramen nog voor enige ventilatie gezorgd, maar zodra er stilgestaan wordt, stapelen de wolken zich op en gaat het er om wie de grootste long inhoud heeft.
Langzaam verdwijnt de zon achter de bossen van het westen en worden er om ons heen langs de weg paasvuren ontstoken. De kilometers onafgebroken regenwoud maken langzaam plaats voor bananenplantages, maar alles op kleine schaal. Hier heeft de natuur nog enige hoop tot overleven.
In het donker gaat het verder, langs een klein restaurantje en dan verder de nacht in. Bonken en stuiteren, en regelmatig stoot ik mijn door slaap ontspannen lichaam tegen stoelrelingen voor, naast of achter me. Hoofdpijn. Ik registreer het allemaal nauwelijks; een vage gevoel van 'auw' en dan verder pitten.
Even na tweeën passeer ik weinig triomfantelijk de evenaar, een punt waar ik graag overheen had willen fietsen. Ik registreer het echter allemaal niet, en na nog een redelijk lange slaapstop arriveren we om zes uur precies bij het busstation van Samarinda.