Dobberend over de grens heen
De boot naar Tarakan vaart vandaag niet. Problemen met de motor, morgen nog een keer. Nog een dagje Tawau hoeft van mij echter niet zo erg, dus na wat rondvragen besluit ik op de boot naar Nunukan te stappen. Een klein stadje net over de grens, waarvandaan als het goed is ook bootjes naar Tarakan zouden moeten vertrekken.
Een beetje gehaast koop ik twee zakjes nasi en wissel ik mijn resterende Ringits om in Rupiah. Of dat slim is blijft de vraag, de wisselkoers hier in de stad is in ieder geval de betere, maar zonder lokaal geld moet ik zelf mijn fiets en bagage gaan tillen. Dit blijkt, nadat ik vakkundig om de douane heengeleid ben, echter geen probleem. Fiets op de voorsteven en mijn bagage naast me in de goed gekoelde zitruimte.
Handelaren lopen af en aan en proberen drankjes, maaltijden, horloges, leerproducten en sim-kaarten aan de passagiers van de hand te doen. Ook een legertje geldwisselaars natuurlijk, waar ik dankbaar gebruik maak om mijn Indonesisch grootgeld in stukjes te hakken.
De mij vertelde vertrektijden, variërend van half elf tot twaalf komen en gaan, karaoke maakt plaats voor een zwemvest-instructievideo die dertig minuten later nog eens herhaald wordt, een signaal klinkt, de handelaars worden weggeleid en de passagierslijst wordt gecontroleerd. In praktijk wil dat zeggen dat men een stapel paspoorten te hand neemt en een voor een de eigenaren af begint te lezen. Heeft iedereen een paspoort in ontvangst genomen, dan ontbreekt er dus niemand meer en kunnen we er vandoor.
Ongeveer een uur later arriveren we in de haven van Nunukan waar het schip bestormd wordt door een waar leger van dragers. Chaos all-over, maar ik weet me bij mijn fiets te krijgen en deze met wat duwwerk van de boot af te krijgen, om we weer terug de boot op te worstelen voor de rest van mijn bagage. De pier op is trouwens nog een leuke uitdaging, met een meter omhoog en een meter water te overbruggen. Met de fiets geen probleem, maar behangen met tassen lig ik er tijdens de tweede keer bijna tussen.
Immigratie in Indonesië wordt een speciale, daar ik me in plaats van na het stempelen langs een circuit van controles me gewoon om dien te draaien en terug mag lopen. Niet dat ik niet welkom ben, in tegendeel, maar de boot naar Tarakan vertrek vanaf de pier die ik net verlaten heb. Immigratie had waarschijnlijk ook gewoon aldaar gekund, maar daar kom ik te laat achter, en het kleine, drie-motorige bootje is inmiddels afgeladen en ik mag niet meer mee. Jammer, morgen weer een kans.
Een kaartjes verkoper neemt me onder zijn hoede en leidt me de stad in, een eindeloos slingerende asfaltweg, omgeven door een verzameling van oude houten huisjes met uitgewassen kleuren, die je naar vervlogen tijden terug doen wanen.Nog meer gegroet dan ik al gewend was, langs geurige eethuisjes, beland ik naast de bank in een basic hotelletje. Kamer met twee te kleine bedden en een ventilator, en op de gang een tandas en een mandi. Nieuwsgierige gezichten en gegebiel, maar een eerlijke prijs.
Na een middagtukje in de verkoelende duisternis probeer ik mezelf tot milionair uit te roepen, maar beperkingen van het lokale bankwezen steken daar helaas een stokje voor. Geld mag, maar met mate.
Met de moskee weer gezellig op vol volume beland ik op een volleybal toernooi, en word achter me de avondmarkt opgebouwd. Geen Turks respect hier, want de muziekverkoper laten houden de speakers vol open, al doet de muezin nog zo zijn best er overheen te zingen.
Bij et bestellen die maaltijd vergis ik me in de menukaart, en in plaats van een stukje lamsvlees worden twee grote krabben te voorschijn gehaald die in een hoekje in stukken worden gehakt. In een heerlijk soepje klaargekookt moet ik me dus ineens door een paar krabschelpen heen zien te worstelen. Niet wat ik verwacht word, en bovendien de eerste keer dat ik me op een dergelijke taak toe richt. Ik maak er dus een zooitje van, en de beesten, alhoewel gekookt, blijven ook na hun dood terugvechten, waardoor ik er een paar mooie schaafwonden aan mijn met saus doorweekte klauwen aan overhoud.