Toch maar wel
Na een heerlijk ontbijt met toast en papaya zet ik koers terug richting de hoofdweg. Dertig kilometer terug zweten tussen kleine dorpjes, de supermarkt en oliepalmen. Het lijkt me dat ik het beste maar gewoon naar Semporna kan fietsen zodat ik daar op tijd ben om maandag en dinsdag rond het beroemde Sepilok te gaan duiken. De jungletoer die ik nog wilde doen moet ik dan wel uitstellen, maar volgende week terugkomen met de bus is geen moeite en kost bijna niets. Zwaaien nar de militairen bij het checkpoint dus, colaatje er bij en doorrijden.
Zoals vooraf echter al wel gepland neem ik mijn middagpauze in Kota Kinabatang, Medan Salera, bij het pick-up punt voor de jungle tocht. Een mooi restaurant in de schaduw waar al een behoorlijke groep bleekneuzen aanwezig is; een Deense familie en een groep Nederlandse studenten. Niels, Wendeline, Eline en Myrthe hebben aan de hotelschool in Leeuwarden gestudeerd en zijn na tien maanden stage op Bali eindelijk aan een paar weken vakantie toe.
De groep lijkt me een gezellig geheel vormen en gids Mr J is ook een goede gozer, dus na wat wikken en wegen besluit ik toch maar van mijn eerdere, meer verantwoorde, plan terug te komen, en lekker mee te gaan de jungle in. Dan maar iets harder door trappen van het weekend. Mijn fiets mag achterblijven in de keuken van een van de restaurantjes (voor in de nasi?), en geachten klimmen we bepakt en bezakt het busje in dat ons naar een junglekamp aan de oevers van de Kinabatang zal brengen.
Tot praktisch vlak voor het kamp staat het langs de weg, zoals bijna overal elders in Sabah ok, depressief volgepland met palmoliepalmen. Voor zeep, cosmetica, lampolie en biodiesel wijken de reuzen van het oerwoud en sterft diersoort na diersoort uit. Een terechte prijs voor de voorgang van onze beschaving?
Al snel begeven we ons met bootje en al langs de kusten van de Kinabatang. Beestjes zoeken, voor zover die nog over zijn. Massa's (saaie) makakaen, maar ook een boel neusapen, ofwel de Orang Belanda (Nederlander). Grote rode neus, baard, dikke buik, en een pamper om zijn bips, ik zie de gelijkenis wel.
Van een dergelijk beest degelijke kiekjes produceren is echter geen makkie. Hoog in de oom en eigenlijk ook net te ver weg voor mijn super zoomlens, en dan ook nog een keer de dobbering van een bootje en het minder wordende licht van de langzaam ondergaande zon erbij; mijn respect voor natuurfotografen is weer een stapje gestegen. Na een paar verwoede pogingen gaat de camera dus maar even opzij en besluit ik te genieten van hetgeen ik om mij heen zie, neushoornvogels en wilde zwijnen bijvoorbeeld.
De avondwandeling die op het programma staat is niet helemaal mijn ding; ik zie nauwelijks wat, en slaag er iedere keer weer in een aantal vuurmieren aan te trekken die gemeen door de stof van mijn sokken heen weten te bijten.
Het donkere bos met daarboven een schitterende sterrenhemel en de om ons heen tjirpende krekels en kwakende gecko's spreken me meer aan, maar echt aanschouwen do ik dat pas wanneer ik samen met Eline en Myrthe een paar biertjes besluit te drinken, terwijl de rest van het kamp al op een oor ligt.