Gastvrij afzien
Zo snel als het veldje gister volliep, zo snel is het ook weer leeg; wanneer ik even na zevenen mijn kop buiten de tent steek ben ik op een enkele andere tent na de enige. Nieuwsgierige blikken al om, en voordat ik eindelijk mijn tent eb ingepakt ben ik een aantal nieuwe vrienden, anderhalve liter water en een uitnodiging voor lunch verder. Die lunch laat ik echter aan me voorbij gaan, ander kom ik nooit boven; er wachten nog drieduizend hoogte meters op me, en als ik me goed herinner ben ik er tot nog toe nimmer in geslaagd meer dan tweeduizend in een enkele dag af te leggen. Niet langer dralen en op naar boven toe dus.
Het is heerlijk rustig op de weg; de meeste Taiwanezen lijken het op een tochtje door de canyon tot aan Tianshaing te houden. Niet veel later zie ik dus ik alle rust een aapje de weg over steken. Nog een aantal kilometers houd ik de imposante kloof aan mijn rechterzijde, met overal veel schade door tyfoons, aardverschuivingen en noodweer. Een beroemde hot spring naast de rivier is recentelijk gesloten toen er tijdens een dergelijk aardgeweld een dode en enkele gewonden vielen.
Terwijl de laatste wandelaars een tunneltje in verdwijnen, op zoek naar de oude paden van de aboriginals die in dit gebied ooit heer en meester waren, vertrek ik naar hoger gelegen oorden. Zweet gutst van mijn lichaam, wanneer er van de andere kant een groep fietsers in dikke winterkleding naar beneden komt gejoeld. Zet em op!
Dat zelfde geldt voor al het auto verkeer dat me passeert. 'Jei-jo, jei-jo!', 'very good!', 'you're number one!', en af en toe een Japans 'gambate!' vergezellen me naar boven toe. Wanneer ik stop, komen de mensen op me af voor een praatje en stoppen ze me vol met snoep en koekjes ('you will need the calories'), en in het kleine restaurantje waar ik stop blijkt het eten ook gratis wanneer ze zien dat ik helemaal op de fiets gekomen ben.
De weg is indrukwekkend in de rotsen uitgehakt, smalle, spannende en natuurlijk onverlichte tunneltjes en grootse uitzichten. Langzaam gaat de jungle van de lagere en warmere hoogtes over in gewassen die beter tegen de kou bestand zijn, en datzelfde geld voor mij, iedere paar honderd meter omhoog komt er een laagje bij.
Rond de 1700 meter verdwijn ik in het land de wolken, en alhoewel het zicht aanvankelijk nog redelijk is, rijd ik later grote stukken door gebieden waar niet meer dan 20 meter van de omgeving te herkennen is. Tegenliggers herken ik op gehoor, om op het allerlaatst een paar knipperende waarschuwingslichten te voorschijn te zien komen.
Op het moment dat het zicht op zijn slechts is, niet meer dan een meter of vijf, verschijnt er een triomfantelijk bordje dat bezoekers wijst op het view point naast de weg. Mooi wit ja. Een tunnel volgt, gelukkig mist vrij en doorzichtig, met een spookachtige pluim aan de andere zijde. Nummer twee volgt even later, dus vol goede moet rijd ik binnen. En zie niks meer. Ik stap af en probeer op de tast de weg te vinden, wanneer ik achter me een grote vrachtwagen hoor aankomen, over de smalle eenbaansweg. Vliegensvlug weer ik mijn zaklamp uit mijn tassen te toveren, waarmee ik lichtsignalen geef. Hij reageert luid toeterend, en rijd stapvoets verder. Uiteindelijk weet ik me tegen de tunnelwand te drukken en passeert hij voorzichtig. Dat gaat net goed.
Wanneer ik later voor de zoveelste keer een pauze neem om even op adem te komen, realiseer ik me dat ik door de wolken heen kan kijken, en even later, dan eindelijk, een flarde van zicht op de hoge bergtop die ik benader. Langzaam maar zeker arriveer ik in het dorpje boven de wolken, waar de restaurantbazen me al op staan te wachten. Kom hier eten, want we willen je geld zien!
Ik heb vernomen dat het hier mogelijk moet zijn om ergens voor goedkoop te overnachten, en alhoewel nog lang niet boven, ben ik daar hard aan toe. De restaurateurs zijn echter niet al te behulpzaam en weten alleen onderkomens voor mensen met het budget van een miljonair, want, tjsa, nieuwjaar he. Niet dat hier enige toeristen te bekennen zijn, maar die stap schijnen ze niet helemaal mee te krijgen.
Eigenlijk ben ik al van plan gewoon nog maar een stukje verder te rijden en ergens mijn tent neer te zetten, wanneer ik nog even bij het stalletje van een lief vrouwtje stop voor een kleine, maar broodnodige, snack. Uitgegeten besluit ik haar ook nog maar even te vragen, en ja, zij weet wel waar ik goedkoop kan slapen. Ze neemt me mee naar weer een ander eettentje, en zegt tegen een van de jongens die daar werkt dat hij me erheen moet brengen, en er voor moet zorgen dat ik niet meer dan de normaal gangbare prijs hoef te betalen. Aldus kom ik in het 'hotel' terecht waar ik naar op zoek was, iets meer dan tweeduizend hoogtemeters verwijdert van mijn startpunt vanochtend.
Ik neem een snelle douche, en begeef me nog eenmaal buiten voor een maaltje. Ook dit wordt me kado gedaan door een Taiwanese familie waarmee ik aan de praat raak, die me simpelweg vertellen dat er al voor me betaald is wanneer ik mijn bord leeg heb. Protesteren heeft geen zin. Ook deze mensen kwamen trouwens, net als eigenlijk iedereen die ik vandaag sprak, uit Taichong; misschien wel de meest gastvrije stad van het land?