Kaap Noshappu
Vanuit mijn weiland vertrek ik. Vannacht wat regen, maar nu weer enigszins droog en een behoorlijk windje in de rug. Schiet lekker op dus. Almaar rechtdoor, door duinlandschap zoals dat behoort te zijn een een behoorlijke verzameling windmolens.
Net als ik daar naar boven kijk een bliksemschicht en een paar grote druppels. Kan net optijd van de fiets springen en me omkleden, want bijna op het zelfde moment komt het bakken naar beneden.
Aan de linkerkant zou de conische vorm van het 1700 meter hoge vulkaan eiland even verderop te zien moeten zijn, maar de aanwezigheid van dit landmark is de laatste dagen steeds minder geworden. Eerst nog een duidelijk driehoekje aan de horizon, nu onzichtbaar, en slechts na lang turen realiseer ik me de dat iets donkere massa in de vertre geen regenwolk, maar de basis van het eiland is. Iets van de olifant niet meer zien terwijl je hem aan de staart hebt schiet door mijn hoofd.
Dan is het tijd voor kaap Noshappu, het op een na noordelijkste punt van Japan. Een welkom met Toets Tielemans op de harmonica door de speakers van de verzameling restaurants die er te vinden is. Verder een beeld van een springende dolfijn en een vuurtoren, en niet te vergeten wederom een stortbui en een boel bliksem.
Na een korte pauze zet ik mijn weg langs de kust voort. Behoorlijke bliksem op zee (het lijkt zelfs alsof een schip dat daar vaart meerdere inslagen te verduren krijgt), maar een oud mannetje naast me gaat onverstoort verder met zijn weewier-verzameltocht in het water met en netje achter zich aan. Behalve het weer is het hier trouwens wel een lekker sfeertje, echt vissersdorp, met overal drogende netten en bootjes met afpellende verf op de kust.
Was van plan een paar daagjes in Wakkanai te blijven, maar wanneer ik er via de behulpzame mevrouw bij de touristinfo achter kom dat er niet gedoucht kan worden in de Rider Houses aldaar, wordt het aanbod ineens een stuk minder aantrekkelijk, kan ik even goed gewoon in mijn tentje. Ze wijst me dan ook een monument even verderop in de stad, daar achter zou ik wel kunnen slapen.
Enigszins verrast natuurlijk, maar na een half uurtje internet in de lobby van een hotel toch maar even een kijkje nemen. Er achter is schieronmogelijk, daar klotst de zee namelijk. Er voor een drukke weg, en er onder, zou kunnen, maar beton en toch wel heel erg in het zicht. Had ik moeten weten natuurlijk en lachend rijd ik de stad uit.
Even verder vind ik een stil zijweggetje, waarlangs een ree in de schemerduisternis geschrokken wegspringt. Op de rand van een natuurpark plat ik mijn onderkomen, met voor me de signaalichten van het lokale vliegveld, en achter me met groen neon opgelichte windmolens.