Namu Amitabul
Rustig aan weggaan, net als de rest van de mensen, waarmee ik de afgelopen dagen mijn tijd doorbracht. De Denen door naar Seoul, de Duitser, net als ik, op naar Busan en dan Japan.
Langs een redelijk grote weg op naar het klooster van Tongdosa, plan is daarna af te buigen, door de bergen naar de kust, maar het is koud, en de omweg trekt me niet. Bij de toegang tot het klooster word ik tegengehouden door een oud mannetje dat graag wat autoriteit wil uitoefenen. "Stop, fietsers mogen hier niet langs." Ben eerst respectvol en netjes, zoek naar een oplossing, maar de enige die hij biedt is mijn fiets onbewaakt voor de ingang en ik een paar kilometer lopen, iets wat ik gezien het tijdstip en de verdere planning van mijn dag niet zie zitten. Daarnaast rijden er massa's met auto's op en aan het terrein op.
Ik ga dus in de tegenaanval. Hij star, dan ik ook, iedere keer dat hij 'problem'' zegt, zeg ik 'no problem'. Koop mij kaartje, stap op, en rijd door, op naar het klooster.
Wanneer ik uitgekeken ben is het behoorlijk fris geworden. Broodje eten en een laagje extra aan, wanneer er een bezorgt vrouwtje uit het restaurantje op de hoek komt. Zonder dat ik echt kan zien wie ze is, of haar goed en wel kan bedanken is ze al weer verdenen en sta ik weer alleen, maar met een heerlijk warme kop thee tussen mijn knuisten.
Weizig mijn plan, in plaats van naar het strand, tijd ik recht op Busan af, en vestig ik me in een voorstad in een sauna. Veel beter dan verkleumd in de regen in mijn klamme tentje.