Rare nacht op de camping naast een lantarenpaal die maar blijft branden, licht, daar ben ik helemaal niet meer gewend aan. Ontbijten met rijst (bah) en op pad. Campingbeheerder laat zich nog steeds niet zien, en geen zin op zoek te gaan omdat kamperen hier net zo voelt als buiten achter een willekeurige struik. Even zwaaien naar een paar Koreaanse mede-kampeerders dus, en doorrijden in een natte broek die er vannacht niet in geslaagd is om te drogen.
Prachtige tempel van Woljeongsa in, houtsnij werken, bel- en drumtoren, en een negen verdiepingen tellende pagoda. Terwijl ik daar zo een beetje rondkijk en plaatjes schiet, komt er een Koreaan voorbij die wel heel diep naar me buigt en graag een praatje wil maken. Luitenant bij het leger en hopelijk binnenkort promotie tot korporaal, maar ook overtuigd Buddhist.
We kletsen en ik loop verder voor nog wat foto's als hij ineens weer op komt dagen. Ik moet toch echt ook even een kijkje komen nemen in het museum, het entreekaartje heeft hij al voor me gekocht. Langs de god van Geneeskunst, mooie schilderingen en relieken, persoonlijke bezittingen van de laatste leider (tape-recorder, vulpen en inktsteen), en dan weer in het zadel.
Wat is het ineens lelijk wanneer ik weer buiten het park ben, gecultiveerde akkers en krottige gebouwtjes. Nee, geef mij maar het bos.
In Gangneung kom ik er achter dat het gebruik van internet bij de tourist information gemeengoed is, prima geregeld dus, maar daarvoor wel eerst nog even genieten van 832 meter afdalen; de inspaningen van afgelopen week zijn niet voor niet geweest.
Op het laatste moment en met regen in de lucht begeef ik me richting de kust, en zie ik waar ik op wachtte; de zee. Kamperen achter een struik op een kampeerplaats, rijst met knakworstjes en vroeg naar bed.