Om precies zes uur komt een van de roeibaanmannetjes even kijken of alles nog goed met me is. Wanneer ik aangeef binnen een uurtje mijn tent wel afgebroken te hebben, is hij tevreden en laat me verder met rust. Terwijl op de baan de acht aan het trainen is, even later bijgevallen door een aantal dubbel-twee's, twee-onders en een eenzame skiff, lig ik ontspannen in het gras en laat de ochtend voorbij trekken.
Terug naar de weg, op zoek naar de route naar de brug die aangegeven staat. In plaats daarvan rijd ik door warrige landbouwpaadjes, met vriendelijk lachende (en naar soju ruikende) boertjes. Uiteindelijk besluit ik fiets en al maar de dijk op te slepen, en via het schelpenpad boven mijn weg verder te zoeken. Even later doemt er aan mijn rechterhand het andere eind van de roeibaan op. Had ik dat geweten, dan had ik natuurlijk veel makkelijker even 1000 meter naar de andere kant kunnen rijden..
Via een vervelend stukje snelweg (met daarin ook nog eens een aantal tunnels die niet op de kaart vermeld stonden), bereik ik rustiger vaarwater en rijd ik langs een steeds kleiner wordende rivier door een bos van prachtige groene heuvels. Doet me wel een beetje aan de Belgische Ardennen denken. Is reizen soms een cyclisch proces waarbij je ieder jaar weer in hetzelfde soort landschappen terecht komt?
Veel tijd om daar over na te denken heb ik niet, want er is een probleempje met mijn deraillieur, die op een of andere manier zo afgesteld blijkt te zijn dat mijn grootste krans achter niet benut wordt. Maak van het bijstellen aanvankelijk een zooitje, maar wanneer ik eenmaal besluit alles in positie nul af te stellen en helemaal op nieuw te beginnen, is het zo opgelost.
Bergje op, vergezeld van een legertje Harley Davidsons, en dan lekker afdalen. Onderweg vraag ik de route aan een mannetje, dat me niet snapt, dochterlief er bij roept, samen atlas gaan raadplegen, daar niet uitkomen en een hulplijn bellen die niet antwoord. Tijdens dit hele proces dat bijna een kwartier duurt, raak ik er zelf steeds meer van overtuigd dat ik gewoon rechtdoor moet. Noem voor ons beider gemak dus een grotere plaats die enigzins in die richting ligt, die weet hij wel en wijst, en buigend nemen we afscheid van elkaar.
Kampeerplekje zoeken is lastig, behoorlijk heuvelachtig, dorpjes, en als een stukje land enigszins kampeerbaar zou kunnen zijn, dan staat er rijst aangepland. Uiteindelijk vind ik halverwege een klim een stukje ruimte tussen peperstruiken, maisplanten en een veldje bloemen.