Terwijl ik me nog voorbereid op vertrek en ontbijt komt de Tibetaan van gisteren mijn kamer binnengeklopt. Samen dus de stad in voor een hap eten, fiets nog een beetje bijstellen en dan wegwezen.
Ik zwoeg langzaam omhoog, de vallei van het klooster uit, paar minuten genieten van de wind door mijn haren en dan weer hard werken. Kom er na een tiental kilometer achter dat ik mijn voorband achterstevoren heb gemonteerd. Overweeg door te rijden, maar besluit even verder toch maar te stoppen en het bandje meteen goed te leggen.
Binnen de kortste keren weer een grote groep mannen om me heen die willen toekijken. Word daar langzamerhand een beetje kriegel van (maar goed dat ik niet naar India ben gegaan), en gedraag me dan ook als een botte lul. Walkman in, niet reageren op vragen, en als ze weer eens iets vastpakken trek ik het meteen ruw uit hun handen. Ga iets nuttigs doen!!
Na een lange klim bevind ik me ineens weer op 3800 meter. Raar hoe het idee van hoogte veranderd, rijd de laatste dagen steeds zonder moeite naar dit soort passen toe, terwijl ik me aantal weken geleden in dat soort gevallen nog druk zou maken over acclimatisatie schemas en hoogteziekte.
Heerlijke afdaling, en dan even eten. Bevind me in een gebied waar een moslim minderheid woont. Dat is handig, want die spreken Arabisch, en (misschien treurig genoeg) kan ik me in die taal een heel stuk beter redden dan in het Chinees. Ik keufel dus wat met de eigenaar, terwijl ik een heerlijke noedelsoep voorgezet krijg, en mijn lunchbox met een lekker hap gevuld wordt.
Nog een paar kilometer steil omhoog langs een klein weggetje, en dan vind ik het wel mooi geweest. Kindertjes bedtijd, tent in het gras tussen de yaks en schapen, oogjes dicht en snaveltjes toe.