Mijn in Dushanbe gemaakte lakenzak weet zich goed te houden, en ondanks de kou kom ik met mijn extra laagje prima de nacht door. De koeien in het ons omringende weiland hebben ons inmiddels weten te vinden, en beginnen nieuwsgierig aan een paar laatste stukken brood, terwijl ik een probleem met mijn stuurtasbevestiging repareer, en vervolgens weer een boel uitleg mag doen wanneer ik een plastic zakje met afval wil achterlaten bij het sanatorium.
Langzaam glooien we naar boven door een steeds desolater landschap. De weg is perfect, maar fietsen gaat in slow-motion. De spieren en het koppie willen wel, maar de door de hoogte verlaagde zuurstof-spanning is in dit geval de beperkende factor.
Het laatste stukje naar de meer dan 4200 meter hoge pas die toegang geeft tot het Pamir plateau is bikkelen. Het asfalt houdt er ineens mee op en moet plaatsmaken voor steenslag en kiezels, terwijl de helling toeneemt.
De inspanning loont echter, en de eerste vierduizender is een feit. Omgeven door zingende reuze marmotten navigeren we onszelf voorzichtig naar beneden, slaan water in bij de laatste zoetwater stroom, en mogen ons vervolgens over een steeds maar slecht blijvende weg terug naar boven duwen. Toegang tot de Pamirs is zo simpel nog niet..
Uiteindelijk komt ook deze inspanning tot zijn einde, versoepelt de weg zich, en wordt er tussen de bergen plaats gemaakt voor de lang beloofde hoogvlakte. Met uitzicht op de prachtige zoutmeren slaan we ons kamp op, en maken ons op voor een wederom erg frisse nacht op 4000m hoogte.