Vanuit mijn roggenveld zet ik koers naar boven. Een gemeen vals plat, dus zwaar, zwaar, zwaar. Wanneer ik 's ochtends zo naar boven kijk denk ik er met een anderhalf uur wel te zijn; in werkelijkheid doe ik er meer dan het dubbele over.
Een lunch van paddo's en dan verder via een irritante politieman die om smeergeld vraagt (en hij natuurlijk niet van me krijgt) en een prachtige afdaling dor een smalle stijle kloof. En dan kom ik in een brede vallei, gescheiden door een brede rivier. Aan de ene kant Tajikistan, aan de andere Afganistan. Niet dat het er nou zo Afgaans uitziet aan de overkant; bergen even mooi, landschap even vriendelijk, dorpjes identiek, en ik gok de menen net zo. Wat een vertekend beeld kan het nieuws en de publieke opinie toch weer schetsen.
Ik doorsteek verschillende brug-ontbrekende stroopjes en stromen, stommel door kleine dorpjes met voor het eerst vies water, en maak kennis met de Aga Khan foundation. Dan, terwijl ik een eerdere kampeerplek afgewezen heb, sla ik rechtsaf richting een restaurantje, en.. kom ik Leo weer tegen! Had al gehoord dat hij hier ook in de buurt zou zijn, maar gezien zijn tempo niet meer verwacht hem ergens te treffen.
Kamperen mag, maar al onze plekken worden afgewezen; te dicht langs de rivier en er zouden vannacht wel eens soldaten langs kunnen komen op patrouille. Uiteindelijk nemen we dus genoegen met een plekje achter het toilet. Als je de geur even weg denkt en je puur concentreert op het uitzicht is het er geweldig.