Vroeg opstaan en op weg. De weg is zwaar, heel zwaar, maar ik geniet. Na veel op en neer kom ik eindelijk bij de grensovergang aan. Laatste riaals spenderen aan een flesje water en dan er overheen. De Turkmenen willen veel van me weten, en de beambte lijkt er niet echt op gesteld dat ik eerst iets wil lezen voordat ik er mijn handtekening onderzet. De stijve matrones achter de aangiftetafel nemen uitgebreid de tijd om door mijn voedselvoorraad de snuffelen, maar dan mag ik door.
Mooi door een uitgebreide bergweide, en heerlijk rustig, met schilpadden die de weg oversteken, totdat ik er veertig kilometer later achter kom dat ik door een afgesloten gebied reed. No wonder dat het zo rustig was..
Ashgabat is een spectakel, en alles wat ik er al over hoorde blijkt waar. Grote luxe gebouwen, niks is te gek, eigenlijk hetgeen ik in Dubai verwacht had te vinden, zie ik hier, maar dan is het een stuk rustiger op de weg, en doet de klederdracht meer aan een vleugje zigeunerbloed denken dan een onderliggend moslimgeloof.
Veel glas, wit beton, glinsterend goud en perfect bijgehouden parken. Het lijkt wel of president Niyazov vroeger een grote fan van het spel Sim City was en het nu in het echt naspeeld. Pracht en praal, niets is te gek. Parken gebasseerd rondom het door de president geschreven boek, waarin hij zijn versie van de Turkmeense geschiedenis uitlegd, en een gouden beeld dat met de zon meedraaid.
Daarnaast is het stil op straat. Erg stil. Waarom? Omdat het gros van de gebouwen eenvoudig niet gebruikt wordt, maar er staan omdat het de president een goed idee leek. Dientengevolge vallen de Turkmenen eigenlijk in te delen in drie soorten mensen; agenten, tuinmannen en de rest..
Ik begeef me na een te vergeefse zoektocht en bezoek aan de ambassades van Tajikistan en China opweg naar de homestay van de familie Amanov. Heerlijk slapen voor een zacht prijsje en volgestopt worden met allerhande hapjes, terwijl er niet meer Engels gesproken wordt dan 'Hello friend, breakfast'.