Met een noodgang rijd ik langs zand- en zoutvlaktes richting de boot naar Masirah. Bijna Nederlands plat, lekker weer en niet te veel wind of mee. De zoutvlaktes zouden vanwege de aanwezigheid van een bepaald soort algen een rood/roze teint moeten hebben en bovendien moeten stikken van de flamingo's. Alhoewel ik geniet van het gekwetter van de vele vogels om me heen, zie ik niets van de een-poter, en is het brakke water ook verre van roze te noemen.
Na een veertigtal kilometers kom ik bij de 'haven' aan, nadat ik eerst de toch wel erg slechte onverharde weg naar Sur geinspecteerd heb. De overtocht is een avontuur. Ik mag gratis de boot op, maar wanneer deze gaat vertrekken, is nog maar de vraag. Wanneer hij vol is, krijg ik als antwoord, en als ik zo om me heen kijk (leegte) denk ik dat dat nog wel even kan duren.
Ik besluit dus maar eerst te gaan lunchen in een nabij gelegen restaurantje, waar ik vis bestel, maar kip op mijn bordje krijg. Na nog een ruime twee uur wacten, begint het verkeer langzaam binnen te druppelen, en na een boel chaos omtrent een drietal vrachtwagens die de grote hoek tussen kade en oprij-plank niet aankunnen (bumpers blijven hangen), en gaan we even later dan eindelijk weg.
Eindelijk in Hilf aangekomen, is het shoppen geblazen, aangezien die de enige plek op het 60 bij 20 km grote eiland is, waar iets te eten te vinden is (in ieder geval, indien je geen zin hebt zelf een en ander uit de zee te halen). Ik verneem dat er hier zowaar een internet-cafe te vinden is, toch wel erg verleidelijk om even mijn email te checken, aangezien dat al weer een week of drie geleden is dat ik dat voor het laatste gedaan heb. Het enstablishment blijkt echter alleen na donker geopend, en aangezien ik dan normaal gesproken andere dingen doe (eten en slapen, ergens op een strand in mijn tentje) besluit ik nog een keertje over te slaan.
Na zonsondergang zet ik in een wadi mijn tentje op, waar ik na het verorberen van een afgehaalde vis-met-rijst maaltijd (soms een beetje luxe) de schrik van mijn leven krijg. Vanuit het donker staren vier paar flikkerende ogen me aan, natuurlijk afgekomen op de geur van de vis. Te groot voor geiten of schapen, maar veel te klein voor kamelen. Snel laat ik de plastic-zak met afval achter en loop een meter of 50 terug naar mijn tent. Vanuit mijn tent hoor ik wat opgewonden gesnuif en geritsel, en ik houd mezelf doodstil, niet goed wetend wat te doen. Voor zover ik weet zijn er geen echt gevaarlijke beesten aanwezig in Oman, maar misschien heb ik me wel vergist..
Wanneer ik de dieren nog dichterbij hoor schuivelen maak ik een sissend geluid en besluit nog maar eens mijn zaklamp naar buiten te schijnen, in de hoop wat meer informatie over mijn belagers te verkrijgen. In de verte weet ik de schim van een paar ezelsoren uit te maken. Wel een raar, klein, gedrongen exemplaar dan. Gelukkig zijn de ezels ook niet al te veel van mij gedient, want nog wat gezwaai met mijn zaklamp en gesis later, houden ze het voor gezien en galopperen ze weg in de duisternis. Zoals te verwachten slaap ik die nacht erg onrustig..