Vol goed moed vertrek in 's ochtend nadat ik eerst weer de lachers op mijn hand had, toen ik eerst nog even wat boodschappen ging doen. Niets vervelends verder, maar aan de vele blikken en plotseling gegiegel merk je dat de mensen hier toch niet echt gewend zijn aan jonge Nederlandse mannen met lang blond haar die in hun fietskleding door de stad lopen.
Heb trouwens besloten te proberen mijn organizer te laten repareren; die is dus vanochtend samen met mijn Lonely Planet gids (die ik eigenlijk niet gebruik en daarnaast ook nog eens super zwaar is) met de post terug naar Nederland vertrokken. Als alles goed gaat, ben ik dus zodra mijn vader rond nieuwjaar in Egypte arriveert weer in bezit van een eenvoudiger medium om mijn schrijverskunsten aan jullie op te dringen. ;)
Wanneer ik bij de aanschaf van een brood en een half kilootjes heerlijke mandarijnen vertel dat ik door de bergen naar Gazi Antep wil fietsen, word ik voor gek verklaard. Veel te koud!! Ze raden me een andere route aan, waarmee ik de hoogste pas, de Guzbeli, zou kunnen vermijden, maar als ik op mijn kaart kijk, zou deze me nog hoger door de bergen voeren dan ik al van plan was. Lijkt me geen goed idee, dus besluit maar gewoon op weg te gaan en aan het begin van de pas informatie in te winnen over de haalbaarheid van het beklimmen van de betreffende berg.
Over een zo goed als platte weg (na eerst ook weer even een kort stukje heel sneaky stijl vals plat ter warming-up) ben ik in no-time bij het begin van de berg. Het is koud, maar gelukkig vind ik een theehuis, annex pide (turkse pizza) bakkerij, waar ik mijzelf een heerlijke lunch laat voorschotelen. De pas lijkt de dorpsbewoners een haalbare optie, mits ik voldoende warme kleding heb. Daar geloof ik wel in, dus op naar boven.
De weg is prachtig, maar helaas werkt de bewolking die maar niet op wil trekken een beetje tegen. Eerst stuit ik nog op een heerlijke pas, waarbij de zegwijze van het venijn en de staart geheel van toepassing is, en dan mag ik aanvangen met de hoofdmaaltijd van vandaag. Guzbeli is helaas in een slechte stemming vandaag; door koude stijgingsregen en een strafwindje tegen vecht ik mezelf naar boven toe. Wanneer ik denk dat ik er ben, pest de berg me nog voor een laatste keer door me eerst stijl te laten afdalen, en me vervolgens te verplichten de verloren hoogte, een meter of 300, binnen een afstand van twee kilometer weer goed te maken. Maar goed, dan mag je vervolgens ook echt zeggen dat je boven op de Guzbeli staat, terwijl je je inmiddels rond het vriespunt en boven de sneeuwgrens bevindt.
De andere kant van de berg is totaal anders. Was het aan de ene kant nog sterk bewolkt en regeneachtig, hier schijnt de zon, is het droog, en staat het ineens vol met dennenbomen. De temperatuur is ook met een aantal graden gestegen, en even vloek ik op mezelf dat ik geen extra water heb meegenomen zodat ik hier ergens beschut in het dennenwoud kan kamperen, want ik weet dat het lastig gaat worden om vanavond accomodatie te vinden.
Nadat de schemering al ruim voorbij is arriveer ik in Dogabeyli, de plaats waar ik van plan was opzoek te gaan naar een plaatsje om te overnachten. Ik word een beetje argwanend aangekeken, en men geeft me te kennen dat er daarvoor hier geen mogelijkheden zijn. Had eigenlijk wel gehoopt dat het mogelijk zou zijn bij iemand thuis te slapen ofzo, maar dat zit er dus ook niet echt in.
Wel word ik uitgenodigd voor een kop thee in het theehuis. Nadat ik na mijn eerste kop thee naar buiten loop, verwachten ze eigenlijk dat ik vertrek. Ze zijn dan ook verrast dat ik even later weer binnenkom met mijn kaarten bij de hand en nog een kop thee bestel. Ik vraag ze of ze me misschien kunnen vertellen waar ik wel ergens zou kunnen overnachten, en binnen de kortste keren staan er een stuk of vijftien mannen om me heen om me uit te leggen waar ik heen moet (en ook omdat mijn 1:500 000 kaart van de omgeving op een of andere manier toch ook wel heel interessant is). Dan lijkt het ijs opeens gebroken; iedereen wil wel een kop thee voor me kopen.
Een sloot smaakwater later besluit ik dat het toch echt tijd is om ondanks de duisternis en vrieskou ergens een kampeerplek te zoeken, terwijl ik me bedenk hoe gek het is dat iedereen maar thee voor me koopt, maar niemand me aan dak boven mijn hoofd wil helpen. Dan komt de cafebaas ineens naar me toe en gebaart me dat ik moet blijven zitten en ik in zijn huis kan slapen. Toch nog een slaapplek dus! En zodra ik weer ga zitten komt een van zijn vrienden ook nog naar me toe dat hij me eventueel wel naar een hotel 20km verder op wil brengen.
Bij Yusuf thuis word ik allerhartelijkst ontvangen door zijn vrouw en zijn drie superbijdehandte kinderen. Ik ben nog geen twee minuten binnen, of zijn vrouw haalt een of ander vriendschapsarmbandje te voorschijn. Voor mij. Ook de kinderen vinden het prachtig dat ik er ben. Zoon lief van negen oefent zijn Engels op me, terwijl zijn zusje van zeven niet van mijn zijde weg te slaan is. En wanneer ik mijn camera even later te voorschijn haal om een paar mooie foto's te maken, krijg ik hem de rest van de avond ook niet meer terug.
Een aantal uur later val ik in een heerlijk diepe slaap onder twee dikke dekens in de, onverwarmde, logeerkamer.