De volgende ochtend tref ik een dun laagje ijs op mijn tentje aan. Vreemd, want ik zou toch zweren dat het de afgelopen nacht een stuk minder koud was dan de afgelopen dagen, maar toen heb ik nooit iets dergelijks aangetroffen. Rustig aan maak ik mijn ontbijt (voor het eerst maar eens in mijn tent in plaats van ervoor, hoef ik niet zo lang hongerig te wachten totdat het eindelijk warm genoeg is om naar buiten te gaan), en ga dan op weg.
Erg langzaam, dat wel, want op een paar kilometer van mijn kampeerplek tref ik een apart uitgehakt kasteel aan. Ik rijd naar de bizarre structur toe, kijk er wat rond en tref een trap die me naar boven zou moeten brengen. Deze is echter dusdanig gammel dat ik de klim niet aandurf.
Aan de achterkant vind ik echter iets wat op een primitief uitgehakte kopie van het eerder genoemde lijkt. Het lijkt niet al te stijl, dus besluit ik naar boven te klimmen. Halverwege kom ik er natuurlijk achter dat mijn ogen mijn bedriegd hebben en het kost me dan ook veel moeite op de laatste meters af te leggen (terug omlaag was niet echt een optie). Pas boven realiseer ik hoe dom ik bezig ben geweest, zeker als ik er achter kom dat er eigenlijk niets te zien is hierboven..
Via een grote sprong beland ik via de andere kant (die een stuk minder hoog is) weer op zekere grond en zet mijn tocht voort, via een uitgehakte rotstempel, naar de grote tempel van koning Midas. Een impossante structuur, maar erg jammer dat de beelden van godin Cybele die hier eens gestaan moeten hebben allemaal afgevoerd zijn naar verschillende musea.
Nog een stukje fietsen, en dan sta ik, een dertigtal kilometers later, weer op een mooi kampeerplekje.