Het is halverwege de ochtend wanneer ik in Kota Kinabalu arriveer. De vlucht vanuit Taiwan is zonder al te veel bijzonderheden verlopen, behalve dat ik mijn eerste woordje Indonesisch heb geleerd. 'Tolung buka jendela', ofwel, 'Kunt u alstublieft het raam open doen'. Erg handig zo halverwege de oceaan.
Onder aanmoediging van een groep porters zweet ik mijn fiets in elkaar. Mijn idee was dat ik de overgang vanuit koud Japan wat zou vergemakkelijken door tussendoor Okinawa en Taiwan te bezoeken, maar dat blijkt in de praktijk toch niet helemaal waar. Oef, wat een hitte.
De tweede verassing komt wanneer ik tot de realisatie kom dat in Maleisie links gereden word, maar zodra ik dan eenmaal in mijn hostel gesetteld ben en voorzien van een luchtiger laag kleding voel ik me helemaal thuis. De geuren, de smaken, het taaltje, de mensen en de chaos. Zelfs het feit dat ik mijn kont weer met mijn linkerhand en een kopje water mag schoonmaken vind ik leuk. Lekker smullen van de nasi en me ingraven op de markt waar ik de dingen die thuis in de toko zelfs lastig terug te vinden zijn in veelvoud tegenkom. Heerlijk.
Na een aantal dagen in de stad zet ik vaart naar de andere kant van de provincie Sabah. En dat valt nog niet mee. In de zinderende hitte leeg ik waterfles na waterfles, terwijl ik nauwelijks vooruitkom en langzaam mijn weg omhoog naar Mount Kinabalu maak. Dat ik daarvoor over een bergpas van nabij de 1500 meter moet had mijn kaart me niet verteld.
Wanneer ik na een ruime dag ploeteren echter eindelijk de berg zelf in zicht krijg is alles vergeven. Daar wil ik op! Hoe ik echter ook probeer, de leiding van het natuurpark weigert me te laten gaan; de cabines aan de top zijn vol, jammer maar helaas, zoek het maar uit.
In een ultieme laatste poging van complete bluf zeg ik dat ik dan wel in een dag naar boven toe klim. Ik word vragend aangekeken, en de rangers wisselen onderling blikken uit en gluren stiekum naar mijn beenspieren. 'Okee, ga dan maar', luidt het antwoord uiteindelijk.
Binnen een dag race ik dus omhoog en even na het middaguur sta ik, voorzien van gids, zowaar boven aan de top. Wouw, wat een uitzicht! En wat een wandeling, snakkend naar adem, ver boven de vierduizendmeter, langs touwen omhoog langs een granieten helling! Dit ga ik thuis vaker doen! De afdaling is een minder groot succes, maar de ruime week spierpijn die ik daar aan overhoud neem ik voor lief, dit is gewoon cool!
Daarna gaat het verder natuurparken in. Terwijl Borneo bekend staat als een van de groootste wildernissen ter wereld is dat namelijk de realiteit. De natuur leeft in natuurreservaten. En het toerisme in Sabah leeft bij gratie van de natuurlijke wonderen die er te zien zijn. Een mooie berg, oerang-oetangs, olifanten, neusapen, neushoorns en neushoornvogels (de jungle doet blijkbaar iets raars met de omvang van je reukorgaan en het duurt dan ook niet lang voor ik zelf ook verkouden ben), en de meeste prachtige duikplekken die je je maar kunt voorstellen.
De regering geeft echter de voorkeur aan oliepalmplantages en de palmolie die ze produceren. Biodiesel, papier, zeep, cosmetica, en wat al niet meer maken wij daar in het Westen van. Onder de noemer van ecologisch beleggen wordt dus geinvesteerd in groene palmolie, maar tegelijkertijd wordt het regenwoud gekapt en de vele daar levende dieren raken ontheemd en sterven uit. Het is maar wat je ecologisch noemt, en natuur vind je dus enkel nog in reservaten, of gewoon doodgereden langs de weg.
Dagen en vele honderden kilometers lang rijd ik dus door onafgebroken en eentonige landschappen van oliepalmplantages, af en toe voorzien van een zijweg, waarlangs verborgen voor de ogen van de rest van de wereld ladingen gekapt hardhout worden afgevoerd. Het meest schrijnende is dit in de buurt van Dunum NP, een van de belangrijkste en grootste reservaten waar met grote borden gewaarschuwd staat voor uitvoegende houttrucks.
Uiteindelijk weet ik het toch tot de andere kant van het eiland te schoppen en kom ik in Semporna aan, waar ik lekker ga scuba-pimpen. Bijna alle duikscholen heb ik aan het eind van mijn verblijf van dit heerlijke dorpje wel gehad, en daarvan wint Scuba Junkies toch met stip de publieksprijs. Ondanks het feit dat ik door medereizigers of hotelpersoneel tot twee keer toe bestolen word, houd ik het er een behoorlijke tijd uit, en geniet van de prachtig gekleurde koralen, grote scholen vis en baracuda's, haaien, gigantische tonijnen, minuscule garnaaltjes, kikkervissen en zeeslakken.
In Tawau regel ik bij het Indonesisch consulaat een visum, en een dag later stap ik op de boot naar Tarakan. Tenminste, dat was het plan. De motor blijkt echter kapot, dus wordt er niet gevaren. Ik zoek dus een ander vaartuig, ga alsnog gewoon de grens over, en kom in het kleine dorpje Nunukan uit. Een heerlijke nederzetting die langs een kilometers lange weg is opgebouwd en enkel bestaat uit sfeervolle houten laagbouw. Een plaats met uitstraling.
De dag erna heb ik meer geluk en stopt de motor van boot nummer twee pas halverwege de overtocht met werken. Goed ding is dat we in ieder geval wat afstand hebben afgelegd, de andere kant van de medaille dat we nu stil en stuurloos midden op zee liggen. Terwijl een klein meisje naast me al minuten lang huilt in verband met haar ontstoken keeltje, weet de kaptein zijn vaartuig weer aan de praat te krijgen, en met een slakkengang zetten we onze tocht naar Tarakan voort.
Aldaar vergis ik me een paar nullen wanneer ik een aanbod voor mijn laatste trajekt over het water accepteer, en anderhalf uur later kom ik ruim dertig euro armer en in de stromende regen in het gehucht Tanjung Selor aan. Hier is op een ding na helemaal niks, en dat is precies de bedoeling. Hetgeen wat er namelijk wel is, is het begin van de weg die me door de rest van Kalimantan zal leiden.
Ik ben euforisch en iets positiever gestemd dan tijdens het rijden in Maleisie. Ik heb er zin in. Hier is namelijk daadwerkelijk nog echt bos langs de weg te vinden , en alhoewel er af en toe toch het zeurende gesnerp van een kettingzaag klinkt (en de krakende knal van stilte die daar onlosmakelijk op volgt), ziet de natuur er hier nog gezond uit. Af en toe klinkt het gehuil van een gibbon en zelfs het opgewonden geschreew van een oerang-oetan terwijl de vogels nog uit volle borst zingen en oliepalmen God zij dank ontbreken.
De reden voor het bestaan van dit iets paradijselijker stukje land is echter voor een deel ook terug te vinden in de weg. Zaagtandsgewijs beweegt deze zich voort door het land; steile klimmetjes worden gevolgd door even steile afdalingen, waarna er binnen een seconde weer naar het lichtste verzet moet worden teruggeschakeld in de hoop omhoog niet weer geblokkeerd te staan te komen. Deze op zich zware opgave wordt voor de grap ook nog eens aangevuld met een temperatuur van een graad of vijfendertig en een extreem onaangename hoge luchtvochtigheid. Keihard afzien dus.
Na dik drie dagen iedere minuut weer boven maximaal gaan, en uitgedroogd en uitgeput duizelig de dag af te sluiten, met uitzicht op enkel meer van hetzelfde, is het echt op. Dit is helemaal niet leuk, ik vermaak me hiermee niet mee, en daarnaast is het totaal nutteloos. Ik stap dus op de bus, en verwissel de onmogelijke klimmetjes voor een grote stoffige zwetende asbak vol met bagage.
Een mooie rit volgt, over smalle weggetjes en half ingestorte bruggetjes en vanaf bergruggen heb ik uitzichten over oneindige bossen. De vraag is echter hoe lang dit alles nog zal bestaan. De bewoning rukt op en in de vlakkere gebieden heeft veel van het woud al plaats moeten maken voor bananenplantages.
Na een dag en nacht met hoofdpijn en niet te veel slaap (resultaat van met wegdoezeld hoofd steeds weer tegen de stoelleunigen aan beuken als gevolg van de vele hobbels in de weg) arriveer ik in Samarinda, alwaar ik meteen gas begin te geven. Als de door mij verzamelde informatie klopt vertrekt er de dag er na namelijk een boot naar Surabaya. Binnen een dag weet ik dus zowaar honderzeventig kilometer bij elkaar te trappen (waar ik nog van weet te genieten ook), maar de boot die vaart niet. Kapot.
Wanneer de mankementen eventueel verholpen zouden zijn is onbekend, en de volgende boot staat voor een week of twee verderop gepland. Voor een laatste keer stap ik dus van mijn principes af, en besluit nog maar eens in de vlieger te stappen en naar Java te vertrekken. Een laatste tussenstation voor mijn uiteindelijke aankomst in Bali..