De zon gaat langzaam onder terwijl we de haven van Keelung binnen drijven. Met een loods voor ons uit worden we over de juiste route naar binnen gestuurd, terwijl op een muur vervaagd een 'Welcome to China' te lezen is. Een overblijfsel van voorbije tijden, waarin Taiwan en China nog van dezelfde mogendheid deel uit maakte. De communisten versloegen de democraten, die hun toevlucht namen op Taiwan, en tot op heden maken beiden elkaar nog steeds uit voor bezetters van eigen land.
De douane door gaat vlekkeloos, en buiten bruist het. Wat is het hier anders in vergelijking tot het saaie, goed georganiseerde en brave Japan! Duizenden scooters crossen toeterend door elkaar heen en zigzaggen over de meerbaanswegen, het is smerig en het ruikt naar overheerlijk eten. Als mieren krioelen de Taiwanezen door de nachtmarkt die het stadscentrum bevolkt, terwijl op de bergtoppen naast de haven de meest fantastische tempels opdoemen en een Hollywood-achtig lichtbord bezoekers welkom heet.
Het liefst wil ik me meteen onderdompelen in dit fantastische circus, terwijl ik de opwinding en adrenaline van een nieuwe cultuur door me heen voel razen als bij een bekend spel waarvan je de regels nog niet kent. Ik ben nu echter even op doorreis, want ik moet vanavond nog naar Taipei toe. Dit blijkt echter wat lastiger dan ik me voorgesteld had.
Zonder kaart, maar op goed verstand vind ik dan wel de weg naar de stad toe, maar om er daadwerkelijk ook het adres te vinden waar ik naar op zoek ben is een ander verhaal. Op een of andere manier blijkt de straat waarin ik rijd nooit de straat te zijn waarin ik me bevind en het westen blijft ook al steeds van positie veranderen. Wanneer ik na drie keer vragen eindelijk weer doorheb waar ik ben, duurt het slechts luttele minuten voordat dezelfde situatie zich herhaald, en op die manier loopt het al tegen half twaalf en heb ik het grootste deel van de stad reeds gezien wanneer ik eindelijk bij het huis van mijn gastvrouw Ming aankom.
Gedurende de dagen die volgen deel ik haar appartement en maak ik, terwijl zij druk aan het werk is, de stad onveilig. Ik regel kaarten, aanschouw het hoogste gebouw ter wereld, haal een vliegticket op en vermaak me met de ceremonies die ter ere van de voorvaderen gehouden worden ter voorbereiding op het aanstaande nieuwjaarsfestival. Vol toewijding wordt door alle lagen van de bevolking druk gebeden en fruit en snoepjes aan de tempelgeesten aangeboden, en dan natuurlijk voornamelijk die lekkernijen die de betreffende, inmiddels overleden familieleden ook goed wisten te appreciëren.
Met het nieuwjaar op losbarsten vertrekt Ming naar haar ouderlijk huis, en begeef ik me weer op de fiets. Op zoek naar overblijfselen van de Nederlandse en Portugese koloniale tijd, maar vooral ook naar de uitgang van Taipei. Beiden weet ik uiteindelijk te vinden, al kost het me een dag fietsen, en terwijl om me heen de vuurpijlen en rotjes knallen, verstop ik me ergens op een plekje in het bos en geniet onder mijn nylon thuis van een Taiwanese nieuwjaarscake.
Bij het krieken van de dag word ik ontdekt door leden van de lokale kaatsvereniging, die meer dan verrast en vereerd zijn om mij daar op hun grasveldje aan te treffen. Terwijl ik mijn tent opbreek word ik overladen met koffie, thee, koekjes, snoepjes, overvloedige nieuwjaarswensen en zelfs een mooi gevulde rode enveloppe. Fantastisch om door wildvreemden op een dergelijke warme manier verwelkomt te worden.
Deze trend zet zich voort. Terwijl ik me op weg begeef naar het zuiden, met langs de straatkant schaarsgeklede dames die nootjes en frisdrank verkopen en weer terug in Keelung ook nog eens in een hoerenkot beland, staat heel Taiwan in de tegengestelde richting in de file, en zwaait me grote glimlachen en gelukwensen toe. Kungsu watsai!
Langs de spectaculaire oosterkust en over kliffen van meer dan vijfhonderd meter kijkt het uit over een turquoise zee en slingert het door de jungle. Even later duikt de weg het binnenland in en bevind ik me in het rijk van de wolken. De jungle dunt langzaam uit en gaat over in een meer gematigd landschap. Dennenbomen volgen, totdat er uiteindelijk enkel uitgestrekte graslanden en duizelende vergezichten overblijven. Van een van de mooiste en ruigste kloven ter wereld helemaal omhoog van het niveau van de zee tot een ademsnakkende pas van om en nabij de drieendertighonderd meter. En daarna mag ik afdalen natuurlijk.
De gastvrijheid van de Taiwanezen om me heen lijkt onbegrensd. Terwijl ik geniet van een heerlijke maaltijd in een restaurant blijkt die ineens al betaald te zijn, en om de haverklap krijg ik koekjes, fruit en andere lekkernijen aangeboden. 'Here, take this, you will need the calories', gevolgd door een koor van aanmoedigingen die reiken van het lokale 'Jeijo!' tot Japans 'Gambate!' en Engels 'You are the best!'.
Ik daal af een vallei in. Helaas doodlopend, door een veel voorkomend probleem in Taiwan, een aardverschuiving. Ieder jaar weer zorgen die samen met extreme regenval in het regenseizoen en af en toe een aardbeving tussendoor voor de nodige problemen aan de weg, en vaak is de schade dusdanig dat deze nauwelijks of niet gerepareerd kan worden. Verschillende hoofdaderen die eens dit bergachtige eiland doorkruisten zijn hier al slachtoffer van geworden, en zo dus ook de zijweg die mijn route had moeten zijn. Een muur van enkele meters modder, met daarachter aan de ene kant een dense jungle en aan de andere een diepe afgrond. Het dorp waar ik heen wilde kan ik zien, maar er geraken is onmogelijk. Er zit niets anders op dan omdraaien en via dezelfde weg weer terug te rijden.
Echt vervelend is dit echter ook weer niet. De binnenlanden van Taiwan worden namelijk grotendeels bewoond door grote stammen aboriginals, en dat is ook hier het geval. Een compleet andere sfeer dan in de voornamelijke door Chinezen bewoonde kuststreek. Andere gezichten en trots beschilderde kerken die over de lokale cultuur vertellen. Een dorpse sfeer met iets vervallen huizen, veel samen, en luid spelende stereo installaties. Het tafereel wordt compleet gemaakt met glimlachende oude omaatjes en rondrennende, schaarsgeklede kinderen.
Eenmaal terug op de hoofdweg zoek ik mijn weg richting het Sun Moon Lake en toef ik een aantal nachten in de lokale 'jeugdherberg'. De omschrijving 'vijf sterren resort' zou echter even goed passen, want zo luxe als hier heb ik de laatste tijd niet vaak meer geslapen.
Verder omhoog door bemiste bergtoppen, en omgeven door aapjes, fazanten en andere vogels, breng ik mijzelf in het gebied waar de grootste deel van de door Taiwan geproduceerde thee wordt gebouwd, toepasselijk omgedoopt tot chai-san, ofwel, de berg van de thee. Op het menu staan een dieet van goed zweten, aangevuld door koekjes, ijs, limoensap en af en toe een bananenspin.
Kamperen is hier makkelijk. Er is hier overal wel een stukje half verborgen gras achter een winkel te vinden, maar ook overnachten in het stadspark hoort er gewoon bij. De manier waarop de Taiwanezen het zelf ook doen in de overdrukke nieuwjaarsweken, dus dat valt niet op, behalve dan dat mijn vorm van mijn overnachtingsplek in het land van de iglo-tenten toch wel heel erg bijzonder gevonden wordt.
In de luwte van een peloton wielrenners leg ik in een noodvaart de laatste kilometers richting Kaohsiung af, regel met Malaysia Airlines een paar laatste details over mijn vlucht naar Maleisië, en ga dan opzoek naar gastvrouw Lisa. Dat gaat me dit keer een stuk gemakkelijker af dan in Taipei, en een uurtje later zit ik naast haar op de bank in haar genereuze appartement in een van de luxere buurten van de stad.
Ter ere van het Lantarenfestival, de veertiende dag van het Chinese jaar, vertrekt haar vriend Ben de avond erna richting een groot vuurwerk spektakel in de buurt. Dat lijkt me ook wel wat, totdat ik er achter kom dat het de bedoeling is dat het vuurwerk in plaats van de lucht in, in richting van het massaal toestromende publiek geschoten wordt. Een jaarlijkse kick, waarbij de deelnemers gekleed gaan in dikke lagen vuurwerende regenkleding en een motorhelm. Ik besluit dus dat het me toch een beter idee lijkt maar gewoon opzoek te gaan naar een doos waar ik mijn fiets in kan verpakken.
Dit lijkt makkelijker dan het is, want, zo ontdek ik, in het fietsproducerende Taiwan komen de tweewielers compleet geassembleerd de fabrieken uitgerold. Niets kartonnen doos dus, maar gewoon meteen gebruiken. Het lot is me echter gunstig gestemd, en op een bizarre manier kom ik via iemand die ik op straat ontmoet in contact met ITA Olympis, een van de belangrijkste fietsexporteurs in het land, die onder andere de frames en onderdelen voor Ridley en Colnago produceren. Wanneer ze over mijn onderneming horen zijn ze meer dan gewillig om me aan een paar stukken karton te helpen, en tijdens de lunchpauze helpen ze me zelf om mijn fiets in een recordtijd in te pakken.
Een andere voorbijganger biedt aan het pakket naar het vliegveld toe te brengen, waar ik mijn fiets volgens afspraak alvast mag stallen. Zo eindigt mijn tocht door Taiwan na een paar lekkere Belgische pintjes en een voetmassage dus bij Lisa op de bank, en vlieg ik de dag erna in de overdreven omgeving die businessclass heet naar Maleisië toe. Ik heb genoten van de gastvrijheid van de mensen die wonen op een eiland dat doet denken aan een modernere vorm van China, waar al de daar voorkomende ongemakkelijkheden weggenomen zijn. Dankjewel Taiwan, en wie weet tot ooit!