Bijna twee maanden in China. Wat heb ik geleerd? Veel! Gezien? Wat minder. En gefietst? Tsja, dat is een heel ander verhaal..
De grens over was een uitdaging waar ik vorige keer niet over vertelde. Kyrgistan was lief, bijna makkelijkste grenswachten van het afgelopen jaar, maar China was een ander verhaal. Over een smalle berg weg langs een omgevallen vrachtwagen met katoen manoeuvreren, wachten bij het hek, en naar het hokje voor een stempel. Dacht ik. De beste man weigert namelijk mijn paspoort terug te geven. Spreek alleen Chinees, kan geen toelichting geven, dus dan is het oorlog. Die pas is namelijk van mij en van niemand anders.
Vriendelijk vragen gaat uiteindelijk over in een stuk minder vriendelijk, en uiteindelijk ga ik zelf zo ver dat ik een graai in zijn zakken doen om mijn reis document terug te bemachtigen. Ik ga tot het randje en hij dreigt me zelfs al weer het land uit te zetten, totdat ik bijval en hulp van een vrachtwagenchauffeur krijg. Hij legt me in het Russisch uit dat de grens nu gesloten is, maar dat ik op borg van mijn paspoort toch vast de grens over mag. Ik een nachtje illegaal in China en genieten van een echte maaltijd en morgen mag ik mijn pas met stempel weer terug in ontvangst nemen.
Grens over is nog een verhaal apart aangezien ze aanvankelijk eisen dat ik mijn fiets achterlaat, maar alles komt toch goed. Ik een nachtje kamperen, en de volgende dag dus echt onderweg China in.
De dertiende juni heet die dag. Slecht gevoel over, weet niet waarom, en fiets de hele dag met wind tegen door een behoorlijk bergachtig landschap. Volhouden en doordouwen en 's avonds prik ik mijn tent neer in een beschut rivierdal. Bad move, daar kom ik later wel achter. Kort gezegd komt het er op neer dat het mooie weer toch niet zo mooi blijft als ik dacht, en ik 's nachts in een uiterst destructieve overstroming terecht kom. Misschien wel de angstigste nacht van mijn leven volgt, het gehele verhaal daaromtrent is terug te lezen op http://backtobali.net/weblog/2006/06/13/
Denk aanvankelijk dat dit het einde van mijn reis inluidt, maar op een of andere onverklaarbare gelukkige wijze blijkt mijn uitrusting niet al te ernstig beschadigd te zijn, en ook mijn ruim 200 meter ver weggespoelde fiets nog goed schoon te maken en repareren.
In Kashgar een veelvoud aan fietsers, Fabian en Micheal (http://www.fblock.com/) uit Duitsland die ik al een paar dagen achtervolgde, en Kate, Mel, Ben en Alisha (http://www.cyclingsilk.com/) uit respectievelijk Canada en de USA. Het klikt prima tussen ons, en ik kijk iets te diep in de mooie blauwe ogen van Kate, dus in een paar dagen haast ik me een hoedje voor reparaties aan fiets en herstel van mijn uitrusting, zodat we gezamenlijk richting kunnen zetten naar Lhasa.
Ik loop echter tegen de lamp. De zware route in Tajikistan, de overstroming, en slaap tekort spelen me parten, en tijdens onze tweede fietsdag (en de eerste dag dat we echt gezevenen door het landschap trekken) word ik dan ook goed ziek. Waarschijnlijk een Giardia infectie, al eerder last van gehad, maar nu toch erg ongelukkig nu ik probeer een groep anderen bij te houden en op het punt sta het hooggebergte en een van de zwaarste wegen ter wereld te betreden.
Fiets een dag op mijn tandvlees en stel dan een stijdplan op dat ik combineer met een flinke dosis positieve energie. Ondertussen repareer ik mijn gebroken tentstokken ook nog even met een paar traditionele Chinese eetstokjes. Wanneer ik als een van de laatste op het punt sta te vertrekken staat Kate ineens voor mijn neus.
Alisha heeft besloten dat de route door Tibet voor haar te zwaar is en dat ze dus terug naar de laagvlaktes wil. Vanaf daar zal ze haar eigen plan trekken. Het knagen aan mijn geweten begint, en na een lange afweging van voors en tegens besluit ik dat het voor mij toch ook het beste is om maar terug te gaan, hoe vervelend dat ook is. In stilte rijden we dan ook getweeën terug langs de weg die we nog prima kennen van de dag ervoor. Balen.
Ook de dagen erna spreken Alisha en ik niet veel. Te veel om over na te denken, verdrietig om het afscheid en toch ook een beetje het opgeven. Straf stoempen door de woestijn, veel te warm en weinig water, krijgen pruimen en water in handen gedrukt van voorbijgangers, maar dat maakt het er niet prettiger op.
Op de derde dag worden we ruw uit ons monotone ritme ontwaakt wanneer we in een grote zandstorm terecht komen. Rode tranende en pijnvolle ogen, geen vijf meter zicht, maar eigenlijk toch de hele tijd met het hoofd voorover. In ruim twee uur leggen we een krappe 15 kilometer af, totdat we in een kleine oase terecht komen. Alisha overweegt door te rijden, maar dat zie ik niet zitten. Dit is totaal niet prettig en eigenlijk zelfs gevaarlijk. Hand omhoog en wachten op een bus dus.
Geluk daarbij is dat we door die busrit op zondag in het plaatsje Hotan aankomen, bekend om zijn, precies, zondagsmarkt. Een douche en dan prachtig genieten dus. Hier is nog echt vakwerk te zien. Voor onze neus worden matten gemaakt, messen geslepen en theepotten in elkaar gesoldeerd. Prachtige mensen, heerlijke gezichten, en een boel hilariteit wanneer ik aan een oude man vraag of de stukken zeep die hij verkoopt voor consumptie zijn.
Vervolgens gaat het met de bus dwars door de woestijn naar Urumqi. Trillen en stuiteren, hoofdpijn en veel te weinig beenruimte, want ik heb helaas niet het postuur van een doorsnee Chinees. In Urumqi krijgen we een uitgebreide introductie in de stad door mede-fietser Pete, en genieten we van 'echt' bier; een heerlijke Leffe Blonde koud uit de fles, dat is pas genieten!
Vanuit Urumqi bijna ruzie met de buschauffeur en op naar Dunhuan, waar een aantal zeer imposante Boeddha grotten te zien zijn. Samen met een aantal Israëliers en een enthousiaste gids op weg, met de mond open genieten van al het pracht en praal aldaar.
De weg zou verder gaan naar Jiayuguan, maar Alisha besluit dat Lanzhou haar toch een betere optie lijkt. Ik raak in een dusdanig conflict met de buschauffeur verwikkeld (hij weigert gewoon weg mijn fiets mee te nemen omdat hij liever meloenen vervoert) dat ik uiteindelijk naast de bus woedend mijn broek naar beneden trek en me omkleed in mijn wieleroutfit. Heb het helemaal gehad met al die buschauffeurs, ik ga wel fietsen.
Mijn wegen met Alisha scheiden dus, en ik zet koers door de woestijn, op naar het volgende dorp. Wind beukt weer genadeloos, stop voor een rustpauze en word bijgevallen door een aantal truckers. Glaasje water delen, en of ze me misschien een lift aan kunnen bieden. Zie ik eigenlijk niet zo zitten, maar ze halen me toch over met verhalen over eindeloze winderige vlaktes zonder ook maar een druppel water. Ok, tot aan het volgende dorp dan maar.
Eenmaal daar weigeren ze me uit te laten stappen. Verderop is de weg namelijk enkel stof en stenen, druk en onverantwoord. Ze laten me geen keus, ze zullen me naar Jaiyuguan brengen. Ga daar enigszins terughoudend maar mee accoord, maar aan de andere kant, dat was mijn oorspronkelijke plan toch al, dus wat heb ik te klagen?
Daar kom ik later achter. De truckers zijn goede gasten en hebben een boel hobby's, maar rijden is er daar niet een van. Om de twee uur zitten we weer in een restaurantje, eten, Chinese schaken (waar ik geen snars van begrijp) en Mah Jong. Na donker gaat de motor uit en wordt er geslapen. Uiteindelijk komt het er dus op neer dat we er ruim twee dagen over doen om een afstand van amper 250km af te leggen, en tot slot van ramp word ik ook nog eens om drie uur 's nachts op de plaats van bestemming afgezet. Op zoek naar een overnachtingsplek volgt echter een nieuw avontuur, waarbij ik door een student op zijn hotelkamer uitgenodigd word om de rest van de nacht voetbal te kijken. Ik mag dus niet klagen.
Vanaf Jaiyuguan klim ik weer in het zadel, en nu voor het eggie. Slapeloos snel de stad uit zonder het einde van Chinese muur te aanschouwen en door de eindeloze groene velden onderweg naar het Oosten. Drukke wegen, en saaie paden. Na een drie honderd kilometer houd ik het voor gezien en besluit ik af te slaan de bergen in, dat ligt me toch een stukje beter.
Zonder acclimatisatie rijd ik meerdere malen tot boven de 4000 meter. Perspectief veranderd, been there done that, gewoon op je lichaam letten, dan is die hoogte helemaal niet zo'n probleem. Route trouwens een stuk interessanter dan in Tajikistan, wat mij betreft dan, want iedere keer als je boven bent mag je van een lekkere steile terug naar beneden genieten. En laten we eerlijk zijn, daar doe je het toch eigenlijk wel een beetje voor.
Voor het eerst sinds maanden maken Moslims grootschalig plaats voor Boeddhisten, stumpa's tempels, rode mantels en kale hoofden. Bij een van eerste tempel bezoeken blijkt echter ook hier de tijd niet stil te hebben gestaan. De moderne monnik belt tegenwoordig gewoon mobiel, weet hoe digitale camera en computer werken en vervoert zichzelf net als de rest van de bevolking op elektrisch aangedreven bromfietsen.
Gebrek aan respect door Chinese toeristen die de heilige plaatsen als grote openlucht musea zien, foto's maken op plaatsen waar dat niet de bedoeling is, en er voor zorgen dat een groot deel van de gebedsmannen als suppoost dient op te treden. Een blonde kop zorgt echter voor vriendelijkheid en ik word dan ook allervriendelijkst opgenomen in de gemeenschap van Geelkappen.
Groot contrast ook met de arme Tibetaan op bedevaart, in diepe ernst en in zijn beste kleren gestoken, bidden en processies, geld proberen te doneren op heilige plaatsen en aan monikken die er eigenlijk beter voorstaan dan hunzelf. Het tafereel doet me een traantje uit mijn ooghoek wegpinken.
De weg gaat verder, klimt weer eens omhoog naar een piek die bijna vier kilometers verticaal kan tellen, en dan richting de Gele Rivier. Ook weer het land van een moslim minderheid, de Hui, gastvrij en prima koken, alwaar ik tot de teleurstellende conclusie kom dat mijn Arabisch nog steeds beter dan mijn Chinees is. Met optrekkend noodweer steil omhoog, en via Boeddhistische heiligdommen op te top een Verborgen Vallei in.
Landschap trekt open, totaal anders. Droog wordt nat, klaterende stroompjes, dennenbossen. Kleinde dorpjes komen te voorschijn, maar alles nog altijd gehuld in een veel te fel licht en benauwende mist slierten. Half uitgedroogd komt mijn veel te warme dag tot een einde, maar dan wel met een heerlijk koelende veertig kilometer durende afdaling. Met een snelheid van boven de 60 kilometer per uur zoef ik naar beneden door een geërodeerd landschap op naar een brede stroom. De Gele Rivier, hier nog blauw, stromende voor mijn neus en opgehouden door een brede stuw in het midden.
Op mijn verjaardag zet mijn tocht voort langs de stroom die wortel van de Chinese samenleving vormt. Bebouwde velden, gigantische watermeloenen, en de graan wordt voor mijn ogen geoogst, ouderwets met een sikkel afsnijden en dan laten drogen in de zon. Door een kloof omhoog naar het kunstenaarsdorp Rebgong (of Tongren, zoals de Chinezen het graag noemen).
Mijn gestoomde dumplings deel ik met een oude bedelende vrouw, en terwijl ik tevergeefs een poging doe met mijn veel te vermoeide lichaam een ijsje naar binnen te werken, word ik aangesproken door een jonge monnik. Giant helpt me vervolgens met het zoeken van een overnachtingsplek, en terwijl we samen een avondmaaltijd naar binnen werken, staan daar ineens mooie Madla en haar vriendin Martina voor mijn neus. Twee Tsjechische meiden die Engelse les geven en wel eens willen weten wat hun student met een lange blonde buitenlander uitspookt.
We spreken af de volgende dag samen naar een of andere traditionele piercing ceremonie te gaan; val met mijn neus in de boter. De ceremonie blijkt echter een dagje uitgesteld, in plaats daarvan een dorpsfestival met traditionele dans, zang en theater. Prachtig. Sinds dit jaar is er een emancipatie doorgevoerd dat ook vrouwen toegestaan zijn het hele feest mee te maken, en niet enkel de mannen gedurende de festiviteiten gelaafd worden. Bier voor de mannen en watermeloen voor de vrouwen dus. Het behoeft geen uitleg dat ik mij liever aan de kant van de vrouwen schaar. Tussen de traditionele lange vlechten dus; twee donkere staarten die van onder aan elkaar geknoopt worden.
De dag er op is het dus tijd voor de piercings ceremonie; een aantal scherpe naalden door de wangen als en bloedoffer voor de lokale berggod. Jong en oud doen mee, maar enkel de mannen. Hoedje op, en dan achter elkaar door het dorp paraderen, begeleid door een aanstekelijk hoem-padda-boem door de dorpsdrummer. De shaman staat al op het dorpsplein te wachten, bezeten door de berggod natuurlijk, en is uiterst in zijn nopjes door de gehele vertoning. Grote hoeveelheden offergaven, een groot vuur in het midden, en na een aantal rondjes marcheren en moed vertoon, gaat de hele boel het vuur in. Koekjes, tsampa, perziken, alles dat eetbaar en lekker is. Een grote plas alcohol gaat over de grond, de shaman danst als een bezetene en gedraagt zich als een dronkeman.
Ook voor ons is het feest. De familie van Weima (een van de andere leraren op de school van de meiden) schotelt ons een maal van meer dan vijftien gangen voor, iedere keer meer, nog weer wat anders. Groeten, fruit, momo (gevulde Tibetaanse broodjes), kip, tofu, scherp en mild, van alles en nog wat. We bereiden meerdere vluchtplannen voor, maar kunnen ons gewoon niet losmaken van de grote gastvrijheid. Nog meer eten dus. Wanneer een aan de laatste schotels, een aantal grote schalen met yakvlees, te voorschijn komt, houd ik het niet meer. Ik vreet mijn buikje dusdanig vol met dit heerlijke malse smikkelhapje dat ik me daarna echt niet meer kan bewegen. Weigeren uit beleefdheid is geen optie meer, ik zit nu echt oppie toppie vol.
De dag er op schijnt er even verderop nogmaals een soortgelijk festival te zijn, maar wij zijn even verzadigd. Samen met de meiden dus lekker zwemmen in de rivier, en de lokale jeugd van de bebadpakte dames afslaan. Nog een aantal dagen Rebgong volgen, ontspannen, lekker koken in het appartement van een vriendin, begeleid door het gezang van beschonken Tibetanen (twee zaken waar ze hier erg van houden), totdat ineens de realisatie komt dat ik toch echt weg moet. Over een aantal dagen belangrijke post in Xi'an, tijd om te vertrekken. Eigenlijk geen zin in, maar weinig keus.
Met pijn in het hart staar ik uit het raam van de bus. Prachtige fietsomgeving die ik niet zal bekijken, en een heerlijke meid die ik achterlaat. Geluk is reistechisch aan mijn zijde; in Xining bus naar Lanzhou, en vanaf daar de nachttrein naar Xi'an. De trein is een belevenis. Geen zitplaats, dus zoek maar wat. Druk druk druk, geen plek, chaos. Bijna lachwekkend treurig, maar toch weet ik een hoekje van een stoel te bemachtigen. Slapen daar komt niet echt van, mede door mijn irritante stoelgenoten, en fiets in het cargo ruim. Bij aankomst ruim twee uur wachten voordat mijn bagage en tweewieler weer ergens te voorschijn komen, en dan op naar Nancy.
Nancy is een gezellige dikke Amerikaanse dame, die me bij haar thuis uitgenodigd heeft. Heerlijk ontspannen, veel ruimte en eindeloos kletsen, want net als ik, heeft ze een erg losse tong. De eerste dagen tevens vergezeld door een aantal van haar studenten Engels, die er maar niet bij kunnen dat ik zo lang op reis kan. Wachten op post, die maar erg moeizaam van DHL los komt (helaas wordt er niet zo soepel doorgewerkt op het kantoor in Beijing), maar uiteindelijk ben ik dan in het bezit van een nieuwe tent, gedoneerd door Miyako Sports (http://www.miyakosports.co.jp/) in Japan (jaaiaj!!), een paar bankkaartjes en een zonnebril. Er weer helemaal klaar voor dus.
Bij Nancy kom ik tevens Nederlandse fietsster Linda tegen (http://www.bangkok-beijingbybike.org/). Samen bezoeken we met een van Nancy haar studenten het imposante en wereldberoemde Terracotta Army, en wie weet dat we in de toekomst nog een stukje samen op fietsen.